Main content

Inhoud

BLOG - De grote grazers van de Oostvaarderplassen, een morele analyse

Blog: 21 september 2018
Animal Rights

BLOG - De Oostvaardersplassen (OVP) vormen een natuurgebied van zo'n 5600 hectare tussen Almere en Lelystad in de provincie Flevoland. Het gebied is ontstaan na de drooglegging in twee fases van de Flevopolders tussen 1950 en 1968. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw zijn drie soorten grote grazers uitgezet in het gebied. Aan het eind van iedere winter sterven velen van hen en vervolgens loopt de discussie over hun status en lot hoog op.

Sterfte

In de winterperiode zijn in de OVP in de eerste maanden van 2018 in totaal 3226 dieren gestorven. Het aantal edelherten was met 2684 het hoogst. Daarnaast gingen er volgens Staatsbosbeheer 467 konikpaarden en 75 Heckrunderen dood. Er staat sterven en doodgaan, maar van de genoemde aantallen is 89% door Staatsbosbeheer afgeschoten. Het excuus is dat werd verwacht dat de dieren het einde van de winter niet zouden halen.  Vorig jaar, 2017, overleefden 1613 dieren de winter niet, het jaar ervoor waren dat er 1374.

Utilitarisme

Binnen de dierenbevrijdingsbeweging zijn er verschillende filosofische stromingen. Peter Singer publiceerde in 1978 zijn boek ‘Animal Liberation’. Als utilitarist neemt hij als maatstaf de gevoelens (sentientie) van levende wezens, en met name de balans tussen pijn en genoegens. Er is bijna niemand meer die ontkent dat niet-menselijke dieren pijn voelen en het utilitarisme betoogt dat in afwegingen de belangen van alle voelende, levende wezens in gelijkwaardige overweging moeten worden genomen en dat die keuze dient te worden gemaakt die het totaal aan genoegens - vreugde - doet toenemen en pijn – lijden - doet verminderen. Als er dus een alternatief is voor lijden dient dat te worden gekozen.

Dierenrechten

De meest solide filosofische basis voor dierenrechten legde Tom Regan in 1983 in zijn boek ‘The Case for Animal Rights’. Hij beschouwt een grote groep dieren, waaronder de mens als ‘levenssubjecten’ (subjects-of-life): Die levende wezens die bepaalde zaken willen of er een voorkeur voor hebben, dingen geloven en voelen. Zij ondergaan en ervaren het leven; zij hebben een inherente waarde, een waarde onafhankelijk van hun nut voor anderen. Daaraan ontlenen zij het recht om zodanig behandeld te worden dat deze waarde word gerespecteerd. Volgens Regan vallen daar in ieder geval alle grotere zoogdieren onder.

Waarden

Een derde stroming ziet geen noodzaak voor een dichtgetimmerd filosofisch systeem om dierenrechten te realiseren, maar betoogt dat een rechtvaardige houding ten opzichte van niet-menselijke dieren in het verlengde ligt van de waarden die verlichte, nadenkende mensen ook nu al onderschrijven, zoals compassie, respect, moed en andere morele deugden. Voor hen spreekt het voor zich dat een wereld met minder lijden een betere wereld is, dat wreedheid verkeerd is en dat dieren pijn voelen. Deze zienswijze gaat er vanuit dat praktisch iedere moderne mens, met uitzondering van sociopaten, onnodig lijden van een dier als iets onwenselijks beschouwt. Waar dus kan worden aangetoond dat het gebruik en doden van dieren onnodig is – in ons dieet, in medische experimenten, in vermaak, om traditionele redenen of in ‘natuurbeheer’ – en/of structureel lijden veroorzaakt, moet dit worden bestreden.

Speciesisme

Alle stromingen onderschrijven dat alle bewuste, voelende wezens – mensen en andere dieren - met voorkeuren en belangen, het recht hebben op eenzelfde morele consideratie; dat de huidige exploitatie van dieren onrechtvaardig is en moet eindigen, en dat de bestaande houding van een grote meerderheid van mensen ten opzichte van dieren een vooroordeel inhoudt die onze soort onrechtmatig boven anderen stelt; een houding vergelijkbaar met racisme en seksisme: speciesisme.

Een rechtvaardige, respectvolle benadering van dieren houdt dus in dat wij-mensen rekening houden met hun belangen. Voor wilde dieren houdt dat in dat ze in de eerste plaats het recht hebben op non-interferentie, dus met rust te worden gelaten; voor gedomesticeerde dieren dat wij een zorgplicht hebben.

Domesticatie en dierenrechten zijn met elkaar in conflict. In een werkelijk rechtvaardige wereld worden dieren niet langer in het leven 'geroepen' om ons-mensen te 'dienen'; we moeten dus streven naar een einde van het fokken van dieren.

De natuur is amoreel

Met betrekking tot de sterfte van dieren in de OVP wordt vaak geroepen “dat is nu eenmaal de natuur” of “we moeten de natuur zijn gang laten gaan”. Naast de vraag in hoeverre de OVP ‘natuur’ vertegenwoordigen en de grote grazers daarin thuishorende wilde dieren zijn, is de hele ‘natuur’-verdediging voor het niet ingrijpen bij lijden een dwaling. De natuur wordt door de hedendaagse mens die niet meer hoeft te worstelen om er in te overleven, vaak geportretteerd als iets liefelijks, bewonderenswaardigs. Deze romantisering lijdt tot de misvatting dat dat wat ‘natuurlijk’ is per definitie ‘goed’ is. De natuur heeft echter geen moreel geweten, evolutie volgt geen moreel kompas. Evolutie bevoordeelt dat wat werkt en staat toe, dat wat geen negatieve invloed heeft op het voortbestaan van de soort. Onder wat werkt vallen bijvoorbeeld verkrachting, kindermoord en kannibalisme, geen waarden die wij in intermenselijke relaties promoten of wenselijk achten met betrekking tot dieren waarvoor we een zorgplicht hebben.

Waar de natuur amoreel is, gedraagt de mens zich ten opzichte van andere diersoorten vaak immoreel.

De beroep-op-natuur drogreden

Dat wat natuurlijk is is geen maatstaf voor dat wat moreel wenselijk is, zeker niet in situaties waarin kan worden verondersteld dat we een morele zorgplicht hebben. Het beroep-op-de-natuur is dus een drogreden, maar wordt door de zogenaamde experts regelmatig aangehaald: De Raad voor het Landelijk Gebied (RLG), bijvoorbeeld, wees geboortebeperking als “beheersmaatregel principieel af als strijdig met de uitgangspunten van zo natuurlijk mogelijk beheer.” De ‘International Committee on the Management of large herbivores in the Oostvaardersplassen’ (ICMO) adviseerde “het uitsterven van de populatie van Heckrunderen in de Oostvaardersplassen, ten gevolge van competitie om voedsel tussen Konikpaarden, Edelherten en Heckrunderen te accepteren als de uitkomst van een natuurlijke ontwikkeling.”

Ingrijpen bij lijden

Het grootschalig ingrijpen in lijden in de natuur onder wilde dieren is waarschijnlijk onhaalbaar en mogelijk onwenselijk, maar niet noodzakelijk absurd als morele overweging. Onder gedomesticeerde, opgesloten of anderszins van ons afhankelijke dieren is het een plicht om in te grijpen bij lijden.

De grote vraag: wilde dieren of dieren vallend onder onze zorgplicht

De vraag is dus of de dieren in de OVP vrije, wilde dieren zijn of onder onze zorgplicht vallen. Als we de geschiedenis, de soorten, het leefgebied en de levensomstandigheden van deze dieren bekijken zal een duidelijke conclusie te trekken zijn.

Uitgezette dieren

De grote grazers zijn niet op deze locatie geëvolueerd - ooit was dit de Zuiderzee en inpoldering vond pas plaats vanaf 1950 - noch op eigen kracht hier naartoe gemigreerd. In 1983 werden 32 Heckrunderen uitgezet en een jaar later 20 konikpaarden; pas in 1992 werden 44 edelherten toegevoegd.

Gereedschap dieren

Als de dieren hier niet thuishoren en niet uit zichzelf gekomen zijn, waarom zijn ze dan hier? De grote grazers zijn geïntroduceerd als middel om het gebied rondom het moeras open te houden voor vogels en zo het kerngebied als vogelreservaat te realiseren, voornamelijk voor foeragerende grauwe ganzen. De grazers waren dus altijd bedoeld als middel, als instrument, vervangend ‘gereedschap’ voor maaimachines.

Decoratieve dieren

Daarnaast vormen de dieren ‘verfraaiing’ van het kale, lege landschap, decor stukken dus. De grote grazers trekken toeristen aan; ook dit is instrumenteel gebruik van deze dieren. De Commissie van Geel stelt dat naast het begrazingsnut, de “aantrekkingskracht voor bezoekers van de door velen als imposant ervaren kuddes” een reden is waarom “het essentieel [is] dat een afgestemde populatie grote grazers in het kerngebied aanwezig blijft.“

Boerderij dieren

De twee hoofdredenen voor de aanwezigheid van de grote grazers in de OVP komen dus voort uit hun nut voor ons-mensen, niet uit respect voor de inherente waarde van de dieren.

De dieren werden oorspronkelijk ook gewoon als boerderijdieren - gebruiksdieren - behandeld. De seizoensbegrazing met winterse opstalling en bijvoering van de dieren werd in 1995 pas definitief gestopt. Pas in het Natura 2000-beheerplan (Europees netwerk van beschermde natuurgebieden) is geformaliseerd - dat de grazers een integraal onderdeel van het ecosysteem van de Oostvaardersplassen zijn - dus meer dan maaimachines en decorstukken - met een zelfstandige waarde, maar zonder de bescherming die de Natura 2000-doelsoorten in het gebied genieten. Dit was een wens-gedachte, een ambtenaren afspraak, niet de realiteit.

De dieren zijn dus niet alleen niet oorspronkelijk wild, ook de verwildering die, naar nu wordt beweerd, het vangen van de dieren voor herhuisvesting of anticonceptie zou bemoeilijken, is een menselijke beleidskeuze geweest.

Gedomesticeerde dieren

Eén gedachte achter de introductie van de grote grazers in de OVP is dat verwante voorouders van deze grote herbivoren ook in het verre verleden in Nederland voorkwamen en mede vorm hebben gegeven aan het landschap. Daarvoor moet je wel heel erg ver terug in de tijd en het huidige Nederlandse landschap is sindsdien volledig herschapen door en voor de mens.

In ieder geval twee van de gekozen dieren zijn geen wilde dieren, maar gedomesticeerde soorten.

Heckrund

Het Heckrund ontstond in de jaren 1920 en –30 toen Heinz en Lutz Heck een poging deden om een runderras te creëren met de eigenschappen van de uitgestorven wilde voorouder van de hedendaagse runderrassen: het oerrund. Zij kruisten verschillende 'primitieve rassen' om 'wilde eigenschappen' terug te fokken die in gedomesticeerde runderen waren weggeselecteerd. Het terugfokken van het oerrund was vanaf het begin een wetenschappelijk omstreden zaak en het is nooit gelukt om alle kenmerken van het oerrund terug te krijgen.

Konikpaard

Van het konikpaard werd beweerd dat het verwant is aan de tarpan, een uitgestorven Oost-Europees wild paard. Uit recenter onderzoek is echter gebleken dat dit meer op mythologisering is gebaseerd dan op feiten; het Poolse konikpaard is niet de meest recente afstammeling van het Europese wilde paard en lijkt daar ook niet het meest op.

Edelhert

Zelfs het edelhert, theoretisch een wild dier, werd na uitroeiing in Nederland opnieuw geïntroduceerd op de Veluwe door Koning Willem I uit oogpunt van de jacht. Daarnaast is er veel genetische vervuiling in het edelhert opgetreden door kruising van ondersoorten onderling en met verwante soorten als wapiti en sikahert. In Nederland hebben edelherten de afgelopen tweehonderd jaar altijd in een omheind gebied geleefd in de afwezigheid van natuurlijke vijanden en kan in dat opzicht nauwelijks als wild dier bestempeld worden.

Onnatuurlijke levensomstandigheden

Door de afwezigheid van grote roofdieren (en in afwezigheid van anticonceptie) past de populatiedichtheid van de grote grazers zich alleen aan het voedsel aanbod aan. Een gelimiteerde beschikbaarheid van voedsel is de realiteit van alle ecosystemen en een drijvende kracht achter evolutie, maar in natuurlijke omstandigheden hebben dieren de mogelijkheid om rond te trekken op zoek naar minder voedselarme gebieden. Migratie is niet mogelijk vanwege het afgesloten terrein, dit leidt tot overbegrazing van de beschikbare ruimte in tijden van schaarste, waarna de grazers alleen maar kunnen verhongeren.

Beperkt oppervlak

Voor dieren die leven in een gebied groter dan 5000 hectare geldt in Nederland dat zij de status van "wild" hebben. Er is geen eigenaar, de dieren zijn geen "gehouden dieren" en vallen niet onder de Veewet, maar onder de Flora- en Faunawet. Volgens de Flora- en Faunawet is het bijvoeren van wild verboden. Hoewel de OVP net iets groter is dan die 5000 hectare limiet, bestaat het gebied voor een groot gedeelte uit water en moeras, ongeschikt voor de grote grazers. Het gebied waar deze dieren leven is slechts iets groter dan 1.000 hectare.

In de honderden andere natuurgebieden waar grote grazers zijn uitgezet, vallen de verschillende runder- en paardensoorten gewoon onder de veewet. Het beoogde begrazingsgebied van de Maashorst is met 1500 hectare bijvoorbeeld groter dan dat van de OVP.

Geen coëxistentie

Dat de grote grazers niet als ’natuurlijk’ in Nederland voorkomende dieren worden gezien bleek op 20 mei toen drie volwassen edelhert hindes ontsnapten uit de omheinde OVP. De A6 werd afgesloten en vervolgens schoten medewerkers van Staatsbosbeheer de dieren af, “omdat ze een gevaar vormden voor het verkeer op de A6.” 

In gebieden waar grotere dieren werkelijk in het wild voorkomen en ze dus ook een gevaar voor het verkeer vormen - elanden en rendieren op noordelijke breedtes, grijze en rode Kangaroos en kamelen in Australië, beren en wapiti’s in de Verenigde Staten, om het maar niet te hebben over olifanten in Zuidelijk Afrika of India - is de mens gedwongen te coëxisteren met deze dieren en vallen er, ondanks diverse vormen van maatregelen, op de wegen slachtoffers onder zowel dieren als mensen. Niemand is daar blij mee, maar dat is de realiteit van samenleven met (grote) wilde dieren.

In Nederland is geen sprake van coëxistentie; de dieren moeten achter de hekken blijven of gaan er aan. Toch stelt de beheerder van de OVP op haar web-site: “Staatsbosbeheer staat voor het harmonieus naast elkaar leven van planten, dieren en mensen.” Woorden, de daden komen uit de loop van een geweer.

Zorgplicht

Vanwege de bovenstaande redenen kunnen de grote grazers in de OVP niet als ‘wild’ of ‘vrij’ beschouwd worden. Dit houdt in dat we dus een zorgplicht voor deze dieren hebben. Volgens de wet natuurbescherming, net als voorheen in de flora- en faunawet, hebben we in Nederland zelfs een zorgplicht voor in het wild levende dieren.

Vogelgebied

De OVP zijn van internationaal belang als moeras- en overwinteringsgebied voor vogels, niet als een gebied om te experimenteren met grote grazers. Het is aangewezen als Natura 2000-gebied voor verschillende Vogelrichtlijnsoorten en begrazing helpt voornamelijk de verschillende ganzen soorten die elders in het land weer worden afgeschoten vanwege gewasschade of gevaar voor het vliegverkeer.

Schade

De stijgende populatie van grote grazers heeft echter ook geleid tot de verdwijning van hoge percentages aan broedvogels (en kleine aan de aarde gebonde dieren) van de open ruigtes, weidegebieden en droge rietlanden en ook de variatie aan planten is afgenomen. In de woorden van de Commissie van Geel: “Reeën, hazen, konijnen, veldmuizen en kikkers zijn in aantallen sterk afgenomen of verdwenen uit het gebied. De oevers van sloten en poelen zijn overwegend kaal. Voedsel voor kiekendieven, roerdompen of reigers is dan ook schaars in deze zone. De variatie aan vegetatie en daarmee in landschapselementen is verdwenen sinds de jaren negentig. Met het verdwijnen van soorten vogels en kleine zoogdieren, vegetatie, insecten en amfibieën is de biodiversiteit in het gebied verminderd.”

Dit neveneffect van het ‘natuurlijke’ beheer met grazers contrasteert dus direct met het ‘bestaansrecht’ van de OVP. Dit probleem is niet uniek voor de OVP, bijvoorbeeld ook in Nationaal Park Zuid-Kennemerland zijn er vergelijkbare problemen.

Top-down trophic cascade

Dit sneeuwbal effect van grote grazers in een gebied zonder grote roofdieren is al tientallen jaren geleden beschreven en staat in het Engels bekend als “top-down trophic cascade”: in een gebied zonder grote roofdieren – in Europa wolf en lynx - groeit het aantal grote grazers zolang het voedselaanbod dit toelaat met een desastreus effect op de begroeiing en alle dieren die daar afhankelijk van zijn voor voedsel, beschutting, nestruimte etc., zoals veel vogels.

Dit is niet slechts een theorie maar een uitgebreid gedocumenteerde realiteit. De effecten van het uitroeien en vervolgens herintroduceren van wolven in het Amerikaanse Yellowstone National Park op de rest van het ecosysteem zijn alom bekend.

Dit wist men natuurlijk ook toen werd besloten om over te stappen van gecontroleerde begrazing met winterstalling en bijvoeren naar de ‘laissez-faire’ benadering van minimaal ingrijpen omstreeks 1996 toen Staatsbosbeheer de ‘bedrijfsvoering’ over de OVP overnam van Rijkswaterstaat Directie IJsselmeergebied. De bewering dat de introductie van grote grazers en het beleid van minimaal ingrijpen een opstap was naar de OVP als een zelfregulerend ecosysteem is dan ook grote onzin, een onmogelijkheid zonder top-predatoren.

In al die andere 'natuurlijk begraasde' natuurgebieden in Nederland worden overtollige dieren naar het slachthuis getransporteerd voor "wildernisvlees"; een al even onwenselijke situatie.

Immorele consequenties

De immorele consequenties van verhongering en afschot moeten dus vanaf het begin zijn ingecalculeerd en als acceptabel zijn beschouwd. Wat niet was ingecalculeerd was de publieke verontwaardiging en verzet. De ‘regenten’ die met dierenlevens spelen in hun experimenten in natuurontwikkeling alsof het dingen zijn – verbruikbaar en vervangbaar – hebben zich vergist in de weerstand van het publiek tegen hun banale kwaadaardigheid.

De relevantie van de wet

Wettelijke rechten en andere regelingen worden bepaald door lokale of nationale overheden en kunnen door deze instanties ook weer worden opgeheven. Wettelijke rechten verschillen niet alleen van locatie tot locatie, maar ook op een en dezelfde locatie over tijd en zijn dus niet universeel. Morele rechten hebben daarentegen hun basis in fundamentele morele waarden onafhankelijk van culturele en traditionele gebruiken of het tijdsgewricht en worden geacht universeel te zijn, onafhankelijk van universele of wettelijke erkenning.

Slavernij of kinderarbeid waren nooit moreel te verantwoorden ondanks hun legaliteit, net zo min als de misdaden van fascistische, communistische of fundamentalistisch-religieuze autoriteiten te rechtvaardigen zijn of waren door de wetten uitgevaardigd door deze totalitaire regimes. Op overeenkomstige wijze, vormt het feit dat de wet de uitbuiting van dieren in de vlees- en melkindustrie of laboratoria toestaat, of dieren als ‘dingen’ en ‘bezit’ beschouwt geen morele rechtvaardiging van die praktijken of beschouwing.

De relevantie van een maatschappelijk draagvlak

In een morele overweging is wat de wet ‘zegt’ irrelevant. Het zelfde geld voor het streven van de Commissie van Geel (De Externe begeleidingscommissie beheer Oostvaardersplassen) naar een “maatschappelijk gedragen beheer”. Een maatschappelijk draagvlak is net als een wettelijke basis geen enkele garantie voor een rechtvaardig beleid - want niet gebaseerd op morele afwegingen, maar op de publieke opinie - en dus evenzeer irrelevant in morele overwegingen.

De dood als onrecht

Jagers stellen dat beheersjacht minder dierenleed veroorzaakt omdat er geen periode van lijden aan voorafgaat. Naast dat ze hiermee voorbij gaan aan het leed dat jagen zelf veroorzaakt – gewonde dieren, angst, stress, verbroken familiebanden - is het een voorbeeld van het verwrongen idee dat niet zo zeer het doden van dieren verkeerd is maar het veroorzaken van lijden.

Het verhongeren van dieren in de OVP wordt gezien als een welzijnsaantasting, net als onvoldoende beschutting, maar ‘reactief afschot’ – verzwakte dieren worden doodgeschoten voordat ernstig lijden optreedt - niet. Zelfs enkele dierenwelzijnsorganisaties zien de stress en kans op ongelukken bij het vangen van dieren voor anticonceptie of herhuisvesting, als een groter bezwaar dan de dieren hun leven in zijn geheel te ontnemen.

Een onacceptabel kwaad

Het kwaad dat wij-mensen dieren aandoen heeft twee facetten: er is (1) het toebrengen van letsel – structureel in bijvoorbeeld de bio-industrie en testlaboratoria en arbitrair door individueel menselijke wreedheden - en (2) de onthouding van levensbehoeften en voorkeuren - zoals het verhinderen van bewegingsvrijheid, het ontzeggen van adequaat voedsel en drinken en beschutting.

Voor een voelend, bewust, levend wezen is het voortduren van het leven van het grootste belang en een voortijdige dood een enorm onrecht, omdat dit de totale ontzegging betekent van alle belangen en interesses; het is de ultieme blokkade in het nastreven van plezierige en bevredigende ervaringen. Preventief afschot is moreel gezien dus een onacceptabel kwaad; niet alleen voor de grote grazers in de OVP, maar ook voor de edelherten en wilde zwijnen op de Veluwe en de damherten in de Waterleidingduinen.

Het kwaad dat de grote grazers in de OVP wordt aangedaan, schuilt dus niet alleen in het lijden door verhongering (te sterk moeten interen op (vet-)reserves), het ontzeggen van de mogelijkheid om opzoek te gaan naar voedsel en het in ieder rapport - ICMO1, ICMO2 & Advies Beheer OVP - benoemde gebrek aan beschutting, maar ook in de voortijdige dood door afschot.

Reset

De Commissie van Geel adviseerde eind April, om het aantal grote grazers te reduceren tot 1100 – proactief afschot dus in plaats van reactief. Alle edelherten die in de zomer van 2018 worden geboren in de OVP worden afgeschoten en ook 980 volwassen edelherten wacht de kogel. De bureaucratische benadering van de Commissie spreekt al direct uit Pieter van Geel’s inleiding: “We zijn pragmatisch te werk gegaan …”.

In hun advies over het gewenste aantal grote grazers zegt het rapport: “De commissie adviseert echter om aanvullend op de aanpassing van de begrazingsdruk in 2018 tot een reset van het aantal grote grazers te komen en de aantallen dit jaar te verminderen tot 1100 dieren.” Tijdens de persconferentie vergeleek Van Geel het doden van gezonde dieren in de OVP (opnieuw) met het ‘resetten van een iphone’.

Ook in de rest van het rapport keert het woord ‘reset’ regelmatig terug, begeleidt door de bureaucratische afhandeling hiervan: “Voor het afvangen en het afschot van dieren voor de reset, dient een apart protocol te worden opgesteld waarin rekening wordt gehouden met gezondheidsaspecten van dieren, sociale verbanden, gedragskenmerken, omgevingsfactoren, en waarin zorgvuldig handelen wordt voorgeschreven en nationale en internationale regelingen in acht worden genomen. De realisatie van de reset vergt een groot aantal formele toestemmingen van provincie en andere overheden. Om de reset te realiseren moet met spoed besloten worden over de aanvragen daarvoor.”

Ook Staatsbosbeheer spreekt over een reset: "De herinrichting van het landschap en de reset van de grote grazers zijn stappen om te komen tot een nieuw evenwicht in het gebied."

Zelden werd er met zo weinig respect over levende wezens gesproken in een ambtelijke stuk.

Conclusie

De grote grazers in de OVP zijn door ‘ons’ naar deze plek gebracht en opgesloten binnen hekken in een gegeven voedselsituatie. De situatie van de grote grazers in de OVP is een experiment in natuurontwikkeling met deze dieren als slachtoffer. Een experiment in het vinden van een alternatieve manier voor een door ‘ons’ gewenste begrazing.

Dit belast ons met een zorgplicht die de belangen en interesses – de inherente waarde - van deze dieren respecteert en behartigt en hen beschermt tegen kwaad onafhankelijk van hun nut voor ons. Een van de belangrijkste belangen van deze dieren is het voortduren van hun leven; daarnaast hebben deze dieren voedsel en drinken nodig en beschutting tegen barre weersomstandigheden.

In de basis is deze verantwoordelijkheid niet anders dan de zorgplicht die ouders hebben voor hun kinderen of de maatschappij als geheel voor de zwakkeren in de samenleving - geestelijk gehandicapten, seniele ouderen, comateuze patiënten en jonge kinderen. Een zorgplicht die ook de ‘eigenaars’ of anderszins verantwoordelijken hebben voor bijvoorbeeld huisdieren en dieren in asiels of permanente opvangcentra.

Gebiedsuitbreiding of geleidelijk uitsterven

Dit houdt dus in dat het laten verhongeren van de grote grazers geen optie is, noch het afschieten van gezonde dieren. De overblijvende opties zijn gebiedsuitbreiding (de OVP verbinden met het Horsterwold, het Oosterwold, de Veluwe en via het Duitse Reichswald met de rest van Europa), bijvoeren in barre tijden en bevolkingscontrole door anticonceptie, of het geheel verwijderen van de grote grazers uit de OVP.

Alle scenario’s herbergen nadelen voor de dieren, veroorzaakt door de onnadenkendheid van de initiatiefnemers van dit experiment.

De ideale uitbreidingsoptie is door de politiek in 2011 om zeep geholpen. In de woorden van de Commissie Van Geel: “Het Kabinet Rutte I heeft besloten het Oostvaarderswold (of Oostvaarderswissel) niet aan te leggen. Daarmee werd geen corridor gerealiseerd naar het Horsterwold. Daardoor ontstond geen mogelijkheid van uitloop en migratie voor de dieren zoals door de ICMO2 werd beoogd. Het omheinde gebied bleef gesloten. De gereserveerde gronden voor de aanleg van het Oostvaarderswold zijn inmiddels deels verkocht aan particuliere ondernemers ten behoeve van landbouwkundig gebruik en deels via ruil overgedaan aan het Rijksvastgoedbedrijf. […] De commissie constateert dat voor de korte en middellange termijn de aanleg van een corridor geen optie meer is.“

Een andere optie is het verwijderen van de grote grazers in zijn totaliteit uit de OVP - zonder het doden van dieren natuurlijk - en de begrazing of op een andere wijze te regelen of van begrazing af te zien zolang geen grazers zich uit eigen beweging in het gebied vestigen. Herlocatie of geleidelijk uitsterven via anticonceptie is geen gemakkelijke optie, maar moet in de overwegingen worden meegenomen.

Rechtvaardigheid

Er moet een moreel rechtvaardige oplossing komen voor de grote grazers, onafhankelijk van het nut voor ons op het gebied van begrazing of toerisme, en onafhankelijk van de eraan verbonden kosten en andere economische belangen.

Het is tijd voor een morele benadering van het probleem met de belangen van de dieren voorop.