Main content

Inhoud

Konijnen

Undercoverbeelden van dierenorganisaties en onderzoeksrapporten van officiële instanties getuigen van de miserabele levensomstandigheden van konijnen die gefokt worden voor de vleesindustrie. Veel Nederlanders en Belgen hebben konijn definitief van het menu geschrapt. Ondanks het gebrek aan maatschappelijk draagvlak worden in Nederland en België nog steeds vleeskonijnen gefokt.

Export

In België staat ‘konijn met pruimen’, de klassieker uit grootmoeders keuken, nog maar zelden op het menu. Ondanks prijsdalingen is de jaarlijkse consumptie van konijnenvlees afgenomen tot 300 gram per hoofd van de bevolking.1 In Nederland wordt konijnenvlees vrijwel uitsluitend in de kerstperiode op het menu gezet.

De Nederlandse konijnenstapel bedraagt ongeveer 340.000 dieren, verspreid over een vijftigtal konijnenfokkerijen.2 De Nederlandse vleeskonijnen worden gefokt voor de export. De konijnen die rond de kerstperiode in de Nederlandse supermarkten worden aangeboden, zijn goedkopere diepvrieskonijnen uit Azië en Oost-Europa.3

In België publiceert de overheid geen recente jaargegevens over de konijnenstapel. Volgens tellingen uit 2012 zou het om ongeveer 110.000 dieren gaan in Vlaanderen.4 ILVO, het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, geeft aan dat België ongeveer 20 professionele vleeskonijnenfokkers telt, waarvan er vijftien in Vlaanderen gevestigd zijn. Een ‘professionele’ fokkerij telt minstens 800 à 1000 moederkonijnen die jongen moeten produceren. Daarnaast worden ook vleeskonijnen gefokt als nevenactiviteit; boeren die als hoofdactiviteit andere diersoorten fokken of gewassen telen, verdienen wat extra centen met het fokken van vleeskonijnen op kleinere schaal.5

Professionele konijnenhouderij

In de fokkerijen moeten voedsters (= moederkonijnen) jongen ter wereld brengen die bestemd zijn voor de vleesindustrie. De voedsters worden kunstmatig bevrucht en werpen gemiddeld 10 à 11 jongen. Zo’n tien dagen na de geboorte van de jongen wordt de voedster al opnieuw bevrucht, terwijl ze nog volop bezig is haar jongen te zogen. Als de jongen 4 à 5 weken oud zijn worden ze van hun moeder gescheiden. Op de leeftijd van 10 weken – bij een gewicht van 2,5 kilo – worden ze afgevoerd naar het slachthuis. De stal wordt ontsmet en gereinigd voor een volgende productieronde.1 2

Konijnenleed

In een rapport van de Universiteit Wageningen worden de miserabele levensomstandigheden van konijnen in de vleesindustrie aan de kaak gesteld.3

Het rapport maakt melding van stereotiepe gedragingen en apathisch gedrag bij vleeskonijnen, sociaal isolement van voedsters, gebrek aan bewegingsvrijheid in de kooien, ernstige voetzoolbeschadigingen vanwege de draadgazen kooibodems, en agressie tussen opgroeiende dieren.

Het sterftecijfer in de konijnenhouderij ligt zeer hoog. Konijnen die bij de geboorte ‘te klein’ bevonden worden door de veehouder, worden meteen al afgemaakt door het breken van de nek. De uitval bij vleeskonijnen bedraagt 10 tot 12 %. Bij opgroeiende vleeskonijnen treedt uitval op door spijsverteringsstoornissen en darmontstekingen. Bij oudere vleeskonijnen zijn ademhalingsstoornissen een belangrijke bron van uitval. Ernstig zieke of gewonde dieren krijgen geen behandeling, maar worden door de veehouder gedood met een nekslag.

Bij de voedsters bedraagt het ‘vervangpercentage’ 150%, wat betekent dat de meeste voedsters na ongeveer een jaar gedood en vervangen worden, en een gedeelte van de voedsters zelfs al voor het jaar om is. Voedsters worden ‘vervangen’ om diverse redenen: ademhalingsstoornissen, darmontstekingen, uierontstekingen of ernstige voetzoolbeschadigingen. Daarnaast worden veel voedsters afgevoerd omdat ze te weinig jongen voortbrengen.

De bevindingen van de Universiteit Wageningen komen overeen met de resultaten van Europees onderzoek. In een EFSA-rapport wordt eveneens gewezen op de hoge uitvalcijfers in de konijnenhouderij, vooral te wijten aan spijsverteringsproblemen en ademhalingsziekten. Gebrek aan bewegingsruimte, sociaal isolement van moederdieren, reproductieproblemen, uierontstekingen, gedragsstoornissen en ernstige kwetsuren aan poten worden ook in het EFSA-rapport genoemd als ernstige knelpunten. 1

Naast deze welzijnsproblemen kampt de sector met uitbraken van besmettelijke ziekten, waardoor het sterftecijfer in de konijnenstallen tot piekhoogten kan oplopen. ‘Dikke buikenziekte’ bijvoorbeeld, is een darmproblematiek die tot 30% uitval kan veroorzaken.2 Zomer 2016 duikt een nieuw soort virus op in de konijnensector: RHD2 maakt vele slachtoffertjes in fokkerijen in diverse Europese landen, waaronder Nederland en België. Een ziek konijn behandelen is niet mogelijk, de ziekte lijdt onvermijdelijk tot de dood.3

Video: L214

Transport en slacht

Het gros van de Nederlandse konijnen wordt naar Belgische slachthuizen getransporteerd. Voor een deel van de konijnen worden de transporttijden nog verlengd, omdat een wagen meerdere bedrijven aandoet om konijnen te verzamelen. Transport is een bron van stress en mogelijke verwondingen voor de te transporteren dieren, en ook het laden en lossen van de dieren in kratten gaat gepaard met veel ongerief. In de slachthuizen worden de dieren geëlektrocuteerd, waarna de halsslagader wordt doorgesneden om het dier te laten verbloeden.4

In België zijn een aantal slacht- en verwerkingbedrijven gevestigd die gespecialiseerd zijn in konijnenvlees. De grootste is Lonki BV in Temse.5 Lonki BV slacht 20.000 konijnen per dag, wat neerkomt op 4,4 miljoen konijnen per jaar.6

Dierenwelzijn in de veehouderij: een illusie

Naar aanleiding van de maatschappelijke kritiek zet de konijnensector tegenwoordig in op ‘betere huisvestingssystemen’ met welluidende namen zoals ‘welzijnskooien’ en ‘parkhuisvesting’. In realiteit beantwoorden ook de nieuwere huisvestingsnormen in de verste verte niet aan de natuurlijke behoeften en gedragingen van konijnen.

In de natuur leven konijnen in stabiele groepen, samengesteld uit 2 tot 9 voedsters, 1 tot 3 rammen (mannetjeskonijnen) en hun jongen. Konijnen kunnen in natuurlijke omstandigheden tot 10 jaar oud worden. Als leefgebied verkiezen ze gras- en weilanden die omgeven zijn door bossen, hagen, braakliggende terreinen… Konijnen graven complexe holenstelsels met plaatsen om te rusten, te schuilen en de jongen groot te brengen.7 8

In Nederland werden minimale normen voor het huisvesten van konijnen vastgelegd in de 'Verordening welzijnsnormen konijnen'.9 Vleeskonijnen moeten minstens per twee in een kooi gehuisvest worden. Elk konijn krijgt in de kooi 700 cm2 vloeroppervlakte ter beschikking. Wanneer de groepsgrootte hoger is dan 5 konijnen, volstaat 600 cm2. Als ‘verrijking’ zijn er knaaghoutjes in de kooi. Om pootproblemen te verminderen worden draadgazen roosters (gedeeltelijk) bedekt met kunststof matjes. Voedsters worden in andere kooien gehouden: er is een nestkast voorzien, en een platform waarop de voedsters kunnen rusten. Een voedster krijgt in totaal 4500 cm2 ter beschikking, waarin de oppervlakte van nestkast en platform is meegerekend. Het kooitype biedt een voedster net genoeg ruimte om gestrekt te liggen, maar onvoldoende mogelijkheid om te huppelen en rennen.10

In Vlaanderen wordt ‘parkhuisvesting’ de nieuwe norm. Een ‘park’ moet één zijde hebben van minstens 1.80 m. lang, en is open aan de bovenkant. De vloeroppervlakte per konijn bedraagt 800 cm2. Het park kan uitgerust zijn met platformen, welke meegerekend worden als ‘vloeroppervlakte’. Een groep vleeskonijnen moet samengesteld zijn uit minstens 20 dieren, met een maximale bezetting van 12,5 konijnen per m2. Parkhuisvesting is in Vlaanderen verplicht vanaf 2016, maar onder bepaalde voorwaarden blijven kooien nog toegestaan tot 2024.1

Er wordt ook geëxperimenteerd met parksystemen waarin voedsters in groep kunnen leven. Maar nieuwe huisvestingssystemen blijken nieuwe welzijnsproblemen met zich mee te brengen: de voedsters vertonen agressief gedrag wanneer ze in groep gehuisvest zijn.2 Dit illustreert maar weer eens dat veehouderijsystemen op geen enkele manier kunnen voldoen aan de werkelijke, natuurlijke behoeften van dieren. ‘Dierenwelzijn’ is een illusie in de vleesindustrie. De dieren worden louter gefokt om zo snel mogelijk vetgemest en gedood te worden.

Konijnenbont van vleeskonijnen?

In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, gebruikt men het bont van vleeskonijnen niet voor de bontproductie. Na tien weken, als de konijnen geslacht worden, is hun vacht namelijk nog niet goed ontwikkeld en dus onbruikbaar voor de bontindustrie. In de bontindustrie worden ook andere konijnenrassen gehouden, zoals de Rex. Dit ras werd speciaal voor de bontindustrie gefokt omdat het een veel steviger haarinplant heeft dan de konijnen in de vleesindustrie.

Laat konijnen voor wat ze zijn, kies plantaardig

Konijnen zijn heel sociale dieren. Ze voelen zich het best als ze in gezelschap zijn. Eenzame konijnen, die helemaal alleen in een hokje opgesloten zitten, trekken zich terug in hun eigen wereldje. Het zijn 'stille dieren', maar dat wil niet zeggen dat ze een gevoelsleven hebben en emoties kunnen ervaren. Integendeel: ze zijn erg stressgevoelig. Zo kunnen ze bijvoorbeeld in paniek schieten als ze plotseling opgepakt worden, en trappen of bijten. Konijnen zijn namelijk prooidieren, en een plotselinge beweging associëren ze met een aanval van een roofdier.

Ben je van mening dat dieren een waardig leven verdienen, gebruik dan geen dierlijke producten. Tips voor een plantaardige levensstijl vind je bij Plant Power.