Main content

Inhoud

Varkens

Verborgen in de stallen op het platteland lijden miljoenen varkens een miserabel leven in de varkensfokkerij. De dieren worden gefokt voor hun vlees. Animal Rights doet onderzoek naar het verborgen dierenleed.

Video: Animal Rights maakte undercoverbeelden van varkens in de fokkerij.

Een miserabel leven

De varkens in de vleesindustrie brengen hun volledige leven door in gesloten stallen, onder omstandigheden die schadelijk zijn voor hun fysieke en mentale welzijn. Van kraambox tot slachthuis is het leven van deze dieren één lijdensweg.

Zeugen

De productie van varkensvlees begint bij de moederdieren. Zeugen worden zwanger gemaakt door middel van kunstmatige inseminatie, met sperma afkomstig van ‘KI’ (kunstmatige inseminatie) – centra. Deze centra zijn gespecialiseerd in varkensgenetica en leveren afgetapt sperma van ‘kwaliteits’-fokberen. De bevruchte zeug bevalt na een drachttijd van gemiddeld 115 dagen.

Gedurende drie à vier weken wordt ze samen met haar jongen in een kraambox geplaatst om hen te zogen. Vervolgens wordt de zeug na een korte herstelperiode (gemiddeld negentien dagen) opnieuw ingezet voor een volgende ‘reproductie’-ronde.1 De zeugen brengen hun leven voornamelijk staand en liggend door, geklemd tussen de metalen stangen van de inseminatie-, dracht- en kraamafdelingen in de moderne ‘doorschuif-stalsystemen’.

De welzijnsproblemen die optreden bij zeugen zijn ernstig. Door het doorgedreven fokken ontstaan veel problemen rond vruchtbaarheid en uiergezondheid. Omwille van de zeer beperkte bewegingsvrijheid, lijdt tien procent van de zeugen aan poot- en klauwproblemen. Kreupelheid is bij zeugen de voornaamste reden voor euthanasie, met verlammingen van de achterhand, fracturen en gewrichtsontstekingen als belangrijkste onderliggende oorzaken. Bij kreupele zeugen ligt het sterftecijfer van de biggetjes in de kraamstal hoger. Dit laatste zou te maken hebben met de meer bruuske manier waarop kreupele dieren gaan liggen in de kraambox, waardoor het risico op geplette biggetjes stijgt.

Kreupelheid is de op één na voornaamste reden voor vroegtijdige ‘afvoer’ van zeugen. Alleen vruchtbaarheidsstoornissen gaan met 33% van alle afgevoerde zeugen aan kreupelheid vooraf.1 In goede omstandigheden kan een zeug wel twintig jaar oud worden. In het moderne fokkerij-systeem worden de meeste zeugen amper vier jaar oud. Na een zestal worpen stijgt het aantal doodgeboren biggen. De zeug wordt ‘afgevoerd’ naar het slachthuis en vervangen door een nieuwe fokzeug.2

Biggen

De ‘productie’-cijfers van zeugen en biggetjes zijn door jarenlange fokprogramma’s kunstmatig de hoogte ingejaagd. In de huidige zeugenhouderij produceert een zeug gemiddeld 29 à 30 gespeende biggen per jaar. De onnatuurlijk hoge geboortecijfers resulteren in een daling van het geboortegewicht en een toename in biggensterfte. 5% van de biggen wordt doodgeboren. Per worp brengt een zeug gemiddeld 14,5 levend geboren biggetjes voort. 13,8% van de levend geboren biggen sterft binnen de eerste levensweken.1

De ‘doodliggertjes’ uit de kraamstallen worden in een kadaverbak op straat gezet om opgehaald te worden door een destructiebedrijf. De voornaamste problemen met biggen in de kraamstal situeren zich op het vlak van te weinig melkgift (vooral in de eerste levensweek), diarree (met uitdroging en sterfte tot gevolg), gewrichtsontsteking, ‘bleke biggen’ (ijzertekort, snuffelziekte, PRRS), niezen en neusvloei.2 Als de biggen drie à vier weken oud zijn, worden ze ‘gespeend’, met andere woorden: gescheiden van de moederzeug.3

Video: Animal Rights deed onderzoek in een Vlaams bedrijf waar zeugen gehouden worden

Vleesvarkens of ‘mestvarkens’

De overlevende biggen worden verder opgefokt (gemest) tot slachtrijpe vleesvarkens. Gedurende een tiental weken worden ze ondergebracht in boxen op de biggen-opfokafdeling, ook wel ‘de biggenbatterij’ genoemd. Daarna worden ze weer verder doorgeschoven naar de ‘mestafdeling’, waar ze verblijven tot ze ‘klaar’ zijn voor de slacht. ‘Staartbijten’1 en ‘oorbijten’2 zijn typische symptomen van mentale problemen bij opgroeiende biggen en vleesvarkens. Door de stresserende levensomstandigheden in de stallen hebben de varkens de neiging elkaar te bijten, met infecterende wonden en abcessen tot gevolg.

Veelvoorkomende fysieke gezondheidsproblemen bij opgroeiende vleesvarkens zijn: ademhalingsproblemen en longziekten, hoesten, buikslag, diarree, slecht groeien, gewrichtsproblemen en ‘plotselinge sterfte’.3 Fokkerijen kunnen getroffen raken door uitbraken van besmettelijke varkensziekten, met als gevolg dat alle dieren gedood en ‘geruimd’ moeten worden. Besmette dieren zijn niet meer geschikt voor vleesconsumptie.

De vleesvarkens worden vanuit de fokkerijen getransporteerd naar het buitenland of rechtsreeks naar het slachthuis. Een vleesvarken wordt beschouwd als ‘slachtrijp’ wanneer het rond de 118 kg weegt. Het dier is dan ongeveer achtentwintig weken oud.

Beren

In varkensfokkerijen vind je behalve zeugen, biggen en opgroeiende vleesvarkens, ook nog een paar stevige volwassen mannetjesvarkens: de ‘zoekberen’. Hun ‘functie’ is om de fokker te helpen met het uitzoeken van zeugen die klaar zijn voor en nieuwe reproductie-cyclus. De beren mogen een rondje lopen tussen de zeugen. Aan de reacties van de zeugen op de aanwezigheid van de beer kan de fokker zien of een zeug in haar ‘vruchtbare periode’ zit. De beer wordt terug in het berenhok gestopt en de geselecteerde zeug wordt kunstmatig bevrucht.1

Ook de beren komen nooit buiten de stal. Hun leven eindigt wanneer ze niet meer voldoen aan de eisen die de fokker hen stelt. Dan worden ze net als alle andere varkens afgevoerd naar het slachthuis.

Animal Rights filmde een maand lang undercover in een Vlaams slachthuis

Turbovarkens in megastallen

De hedendaagse varkensfokkerijen zijn opgezet als grootschalige fabrieken, met industriële methoden en principes. Duizenden dieren worden bij elkaar gestopt op relatief kleine oppervlakten. De bio-industrie doet uitgebreid onderzoek naar voeder-, huisvestings- en productiesystemen, met minimale kosten om het maximale rendement te halen uit de dieren. In Nederland is het aantal ‘megastallen’ voor varkens (bedrijven met meer dan 7500 vleesvarkens en 1200 zeugen) de laatste tien jaar explosief toegenomen: in 2005 waren er 12 vleesvarkens-megastallen en 61 fokzeugen-megastallen actief. In 2013 waren deze aantallen opgelopen tot respectievelijk 44 en 83 megastallen.2

In België zijn geen officiële cijfers bekend over megastallen. Wel is duidelijk merkbaar dat de Nederlandse trend zich ook begint door te zetten in Vlaanderen. Meerdere milieuvergunningen voor Vlaamse stallen met meer dan 7500 vleesvarkens zijn reeds verleend of in aanvraag. Sommige fokkerijen zijn al vergund of hebben aanvragen lopen voor stallen met meer dan 10.000 varkens.

De industrialisatie van de varkenssector wordt steeds verder doorgedreven. Niet alleen nemen de fokkerijen meer en meer de vorm aan van industriële fabrieken. Ook de dieren zelf worden ‘aangepast’ aan de steeds hogere productie-eisen van de sector. Bedrijven zoals Topigs specialiseren zich in het fokken van ‘turbovarkens’. Door strenge fokselectie worden varkens gecreëerd die ‘nog rendabeler’ zijn. Zo snel mogelijk zoveel mogelijk vlees voor zo weinig mogelijk geld.1

Miljoenen dieren

De Belgische varkensstapel bedraagt meer dan zes miljoen varkens. Bijna 12 miljoen varkens werden gedood in Belgische slachthuizen. België produceert op jaarbasis meer dan een miljoen ton varkensvlees. 2

In Nederland bedraagt de varkensstapel zo’n 12 miljoen varkens. 5 miljoen biggetjes worden doodgeboren of sterven in de eerste levensweken. 550.000 volwassen varkens sterven in fokkerijen. Ongeveer 8 miljoen varkens werden geslacht in Nederlandse slachthuizen. 3